Al vanaf jongs af aan voelde ik feilloos aan wat een lichaam draagt: vaak stil, soms zwaar, maar altijd vol betekenis. Ik leerde luisteren. Niet alleen naar wat iemand zei, maar vooral naar wat niet werd uitgesproken, wat het lichaam mij vertelde. De woorden die het zachtjes toefluistert wanneer je echt aandachtig luistert.
Ik begon te schrijven. Flarden van gevoel. Losse zinnen. Gedichten. En ik merkte hoeveel rust het bracht. Hoe helend het kon zijn om emoties die soms al lang wachtten, eindelijk ruimte te geven.
Op die ochtend kwam alles samen. De woorden. De kracht van het gedicht. Het Licht.
De mensen uit mijn straat waren de eerste die een Krachtlicht gedicht en een lamp thuis hadden hangen. Ze vertelden hoe vaak ze de woorden lezen en er telkens een diepere laag in vinden.
Het zachte licht van de lamp welke s ’avonds schijnt. Dat ze dan voelen: hij is er nog. Zijn licht schijnt voor altijd.